Lukas DC

De olievlek van de haven: het vergeten Fort Sint-Filips

Op 28 juli 1970 vertrok een aangetekende brief van het College van Burgemeester en Schepenen van Antwerpen. Deze brief bracht een einde aan bijna 20 jaar van dumping en verbranding van industrieel afval op een site in de Antwerpse haven. In de dagen die volgden werd de site ontruimd, afgedekt met zand en werd dit hoofdstuk afgesloten. Later zou dit één van de grootste gevallen van milieuvervuiling in de Belgische geschiedenis blijken te zijn.

De Forten van Lillo, Breendonk, Stabroek, … In de regio Antwerpen genieten deze van enige bekendheid, maar Fort Sint-Filips is schijnbaar uit het collectieve geheugen verloren gegaan. Op de rechteroever van de Schelde, een kleine 10 km stroomafwaarts van het centrum van Antwerpen, ligt het Fort, vergeten ten midden van alle havenindustrie.

In de jaren '50-'60 werd dit deel van de haven getekend door de donkere rookwolken die er regelmatig opstegen. Hoeveel afval er gedumpt en (gedeeltelijk) verbrand werd op de gronden van het Fort is onduidelijk omdat verslagen slechts zijn opgemaakt vanaf 1959. Alleen al die verslagen tellen op tot bijna 50 miljoen liter industrieel afval, het merendeel afvalolie en olierestanten. Dit is ruwweg de omvang van de Exxon Valdez olieramp, op een gebied ter grootte van een voetbalveld.

Volgend artikel is een reconstructie van die twee decennia aan de hand van briefwisseling en verslagen, welke zijn opgelijst zijn in bijlage B achteraan, en een analyse van de huidige status en toekomst van het Fort.

Download dit artikel in printvriendelijke PDF.

Deze research is gepubliceerd in onder meer volgende media:

Inhoudsopgave

Het Fort

Situering van het Fort. © OpenStreetMap contributors

Het Fort situeert zich in de binnenzijde van de Scheldebocht ten noorden van Antwerpen, tegenover Fort Sint-Marie in Kallo. Deze versie van het fort is gebouwd tussen 1870-81 als onderdeel van de Brialmont-omwalling, maar al in 1584 werd hier een fort opgericht door de toenmalige Spaanse heersers. Opgetrokken uit baksteen en met een ongewone plattegrond is het fort vrij uniek in België.

Overlay van laatst bekende fortplattegrond. Luchtfoto © AGIV

Het gebouw heeft een ovale vorm met 3 geschutskoepels, indertijd bewapend met kanonnen om de Schelde te bewaken. Rondom ligt een drooggracht die toegang biedt tot de kamers aan de binnen- en buitenzijde. De strategische waarde van het Fort was enorm, en om die reden is in 1914 een van de drie koepels opgeblazen door het Belgisch leger om de Duitse troepen geen intact fort te geven.

Situatie in 1971, één jaar na stopzetting verbrandingen. Luchtfoto © AGIV

De noodzaak (1950-54)

Bijna 20 jaar van zware vervuiling. Hoe is het daartoe kunnen komen, en belangrijker, waarom is het zo lang doorgegaan? De start van deze praktijken kwam voor uit een noodzaak. In 1950 verbood het College van Antwerpen de verbranding van industriële afvalolie op een site aan de Luchtbal. In 1952 nam het College van Hoboken dezelfde beslissing, deze keer met betrekking tot de Hobokense Polder. Dit bracht de Antwerpse scheepsbouwers en -herstellers in nauwe schoentjes; het waren zij voornamelijk die gebruik maakten van deze locaties om hun afvalolie te dumpen in grote kuilen en in brand te steken.

Na overleg met de Directeur-generaal van de Haven van Antwerpen kregen zij een nieuwe locatie toegewezen: de gronden van Fort Sint-Filips. Hiervoor werd een afvalverwerkingsbedrijf aangeduid dat zou instaan voor de ophaling en veilige verbranding van de oliën, dit bedrijf stond bekend onder de naam Van Den Bosch. Diezelfde Van Den Bosch was slechts 2 jaar daarvoor verantwoordelijk voor een uit de hand gelopen brand aan de Hobokense Polder.

Hoewel er in die tijd al de technologie bestond om de verbranding properder te laten plaatsvinden, meer bepaald aan de hand van ovens, werd er door de Federatie van Scheepsherstellers en Van Den Bosch toch geopteerd voor open verbranding (i.e. in open kuilen). De reden hiertoe valt waarschijnlijk toe te schrijven aan de kostprijs. Deze open verbranding zal later omschreven worden als een zeer primitieve, weinig efficiënte methode. Zo schrijft Directeur-generaal van de Haven Leemans:

“De afvalstoffen werden […] over de Noordoostelijke berm van het Fort St. Filip uitgestort en aan het branden gebracht. Die producten drijven naar beneden en vormen een soort oliemeer dat door zeer primitieve “dijken” binnen zijn oevers wordt gehouden. De afvalstoffen branden aan de oppervlakte maar dit gaat gepaard met een korstvorming welke de lucht afsluit en verdere verbranding onmogelijk maakt. De behandeling geeft daarenboven geweldige rookwolken vergezeld van zware en walgelijke oliereuken. De olie dringt in de grond en in de kelders van het Fort, zodat geheel de constructie door de olie bedreigd wordt.”

Deze methode van verbranding werd nagenoeg onveranderd aangehouden tot de uiteindelijke stopzetting in 1970.

Het Panis Procedé (1955-62)

In juni 1955 ontving de Haven de trotse melding van een Franciscus Panis, die een methode zou ontwikkeld hebben voor het nagenoeg rook- en geurloos verbranden van afvalolie. Panis verzoekt de toestemming om een proefopstelling op te richten, liefst op de terreinen van Fort Sint-Filips. De toenmalig Hoofdingenieur-directeur van de Haven drukte initieel zijn voorzichtige scepsis hierover uit, zo zegt hij dat men voorzichtig moet zijn om geen “katten in zakken” te kopen. Hij raadt overleg met de scheepsherstellers aan en maant Panis aan om een officieel verzoek in te dienen bij het College. Verder raadt hij de man aan om te bewijzen dat zijn nieuw procedé effectief werkt.

3 maanden later toont Panis aan enkele afgevaardigden van de Haven een miniatuuropstelling op de terreinen van zijn eigen bedrijf, H. Panis & Co, dat zich specialiseert in het schoonmaken van scheepswanden. Uit de verslagen van de afgevaardigden blijkt dat deze opstelling wel degelijk het gewenste resultaat scheen te behalen: een nagenoeg rook- en geurloze verbranding. Toch, merkte de Hoofdingenieur-afdelingshoofd op, mocht men zeker het aspect van verwerkingscapaciteit niet uit het oog verliezen, welke nog niet was aangetoond.

2 maanden later, op 30 december 1955, beslist het College onder leiding van Burgemeester Craeybeckx om Panis de (“strikt voorlopige”) toestemming te verlenen om een proefopstelling op te trekken in het Fort. In het verslag van deze vergadering treffen we echter iets interessants aan. De voorwaarden voor deze opstelling , gebaseerd op de adviezen van Hoofdingenieur-afdelingshoofd, en zo staat opgelijst in voorwaarde n°3:

“Dat de firma de olie, die de Stad daar aanvoert en die nu kosteloos door de heer Van Den Bosch wordt verbrand, zonder kosten in de nieuwe inrichtingen zal moeten verwerken.”

De olie in kwestie is hoofdzakelijk degene die van grachten en dokken wordt afgeschept. Wat dus blijkt is dat de Stad zelf belang heeft bij het voortbestaan van de verbrandingen op het Fort. Zonder deze gratis dienst zou de Stad zware maandelijkse kosten moeten dragen. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit een factor heeft gespeeld in het bijna 20 jaar durende voortbestaan van deze praktijken.

In het 1956 vat, na enige administratieve vertragingen, de bouw van een grotere proefopstelling in het Fort aan. De technische dienst van de Haven en een afgevaardigde van de brandweer, commandant Van Acker, houden afzonderlijke inspecties van de constructie en geven, mits enkele kleine aanpassingen, hun zegen. Op 22 oktober, wanneer de proefopstelling voltooid is, begint Panis aan een proefperiode van 6 maanden.

In deze periode wordt de proefopstelling als een succes beschouwd, en drukken meerdere prominenten in het verhaal dit ook uit per brief:

  • H. Cooreman: Hoofdingenieur-directeur van Stadswerken
  • G. Schepens: Hoofdingenieur-afdelingshoofd van de Technische Dienst van de Haven
  • E. Rombaut: Majoor-bevelhebber van de Brandweer
  • O. Leemans: Directeur-generaal van de haven

Allen adviseren het College om de firma Van Den Bosch, die op dat moment langszij Panis werkt, elke vorm van open verbranding te verbieden. Er zijn vele redenen die zij hiervoor aanhalen maar de belangrijkste zijn dat het nieuwe Panis procedé op vrijwel elk vlak de open verbranding overtrof, dat de praktijken van Van Den Bosch het Fort bedreigden, en dat firma Van Den Bosch niet eens over de juiste milieuvergunning beschikt. Dat de firma het soms grof maakt treffen we aan in een brief van Schepens waarin hij verontwaardiging betuigd over Van Den Bosch die een gat in het keldergewelf van het Fort zou hebben geslagen opdat de olie er gemakkelijker zou instromen.

En die adviezen vallen niet in dovemansoren: op de vergadering van het College van Antwerpen van 15 maart 1957 wordt de beslissing genomen om Van Den Bosch verdere verbrandingen te verbieden en H. Panis & Co een terrein toe te wijzen voor een permanente verbrandingsinstallatie opdat hij die taak kan overnemen. Er wordt het advies ingewonnen van de Technische Dienst van de Haven, maar die raadt aan om het Fort te behouden als locatie, voornamelijk om de verbrandingen ver van andere voorzieningen te laten doorgaan.

Vaten liggen her en der verspreid

Over de twee jaar die volgen is de informatie karig. Wat we weten is dat er enkele kleine aanmerkingen zijn op hoe Panis de zaken aanpast, maar dat hij ook ontvankelijk is voor die kritiek en de nodige maatregelen neemt. Er duiken nog enkele verslagen op van verdere constructie in het fort, waaronder een nieuwe dijk opgebouwd uit aarde en autobussen, en verder doet Panis nog een prijsvoorstel aan de Federatie van Scheepsherstellers van Antwerpen (FSHA). Daar treffen we een eerste, maar meteen zeer groot obstakel aan; De verbranding in een oven kost ongetwijfeld meer dan de rudimentaire open verbranding, en Panis stelt hen een prijs van 35 frank per vat voor. Bij Van Den Bosch was dit 5 frank.

Niet veel later schrijft Directeur-generaal Leemans naar Hoofdingenieur-directeur van de Haven De Kesel, waarin hij verwijst naar een brief die hij ontving van de FSHA. De Federatie stelt dat zij geen monopolie wil zien ontstaan bij de verbranding van afvalolie. Leemans drukt bovendien zijn twijfels uit bij het Panis procedé: hij stelt dat het zijn “praktisch nut nog niet bewezen heeft”, en dat er nog niet is aangetoond dat Panis kan draaien met voldoende verwerkingscapaciteit. Opmerkelijk, aangezien er geen enkele indicatie is aangetroffen dat de Directeur-generaal sinds de proefopstelling minder dan enthousiast was over het dossier Panis, integendeel. Hij verzoekt om het verbod op verbranding in open lucht op te heffen. Op 12 november 1958 besluit men om open verbranding terug toe te staan, tijdelijk, onder de voorwaarde dat de betrokken bedrijven onderzoek doen naar verbranding in een oven. Van Den Bosch vat zijn verbrandingen terug aan.

1959 luidt een nieuw hoofdstuk in. Panis en Van Den Bosch werken langszij in Fort St. Filips, en het verschil in prijs maakt dat het voor de aanleverende bedrijven geen moeilijke keuze is. H. Panis & Co staakt alle bedrijvigheid, en Franciscus Panis richt met Leo Geens als accountant en medestichter de N.V. MOROGAS op, die de verantwoordelijkheid voor verdere uitbouw van het Panis procedé op zich neemt. Zij beginnen ter stond met het zoeken van steun voor hun onderneming. Steun die hen niet door iedereen gegund is.

In Juli 1959 stuurt Hoofdingenieur-directeur De Kesel een brief naar Directeur-generaal Leemans, als gevolg van een verzoek van Geens voor een overzicht van hoeveelheden afval er verbrand worden. De Kesel beschikt over deze gegevens, maar vraagt toestemming aan Leemans alvorens deze door te sturen. Leemans reageert als volgt:

“In principe heb ik er geen bezwaar tegen dat deze gegevens aan de heer Geens zouden medegedeeld worden. Het valt evenwel te vrezen, dat hij ze zal willen gebruiken om bij de ministeriële diensten, het provinciebestuur of elders stemming te verwekken. Waar niet bewezen is dat het systeem Panis kan opkomen voor het vernietigen van alle afvaloliën en pappen, zou een dergelijke handelswijze onze moeilijkheden met dit netelig probleem nog verhogen.”

Geens zal deze gegevens nooit ontvangen van de Haven.

Desalniettemin slaagt MOROGAS er in om deze stemming te verwekken, zo blijkt. Twee maanden later, op 16 september 1959, arriveert bij het College van Antwerpen een gunstig advies van de Administratie van de Nijverheid van het Ministerie van Economische zaken met betrekking tot het plan van Panis en Geens. Zij vragen de mogelijkheid te bekijken om een stuk grond aan de Schelde ten zuiden van de petroleumhaven ter beschikking te stellen voor de bouw van een MOROGAS verbrandingsinstallatie.

Een klein jaar verder, op 23 mei 1960, arriveert een gevarieerde delegatie op het fort. Deze bestaat uit:

  • Geens: délégué van MOROGAS
  • Schepens: Hoofdingenieur-afdelingshoofd
  • Van Oyen: Ingenieur en délégué van de Kredietbank
  • De Rijcker: Ingenieur en délégué van brevettenbureau Gevers & Co
  • Graff: Generaal

Zij ontmoeten Panis in het Fort voor een rondleiding en bespreking van een mogelijke tussenkomst van de Kredietbank. Aangekomen blijkt dat een groot deel van de verbrandingsinstallatie is weggebroken: Panis investeerde zijn persoonlijk kapitaal en offerde zijn bedrijf op voor zijn onderzoek, bouw en onderhoud van de installatie, maar zag zich genoodzaakt om die terug te ontmantelen en de onderdelen te verkopen om zich te onderhouden.

De conclusie van de vergadering is dat, hoewel Panis al over een brevet beschikt, een nieuw en gedetailleerder brevet (patent, red.) moet worden opgesteld dat ook in Den Haag wordt ingeschreven om het procedé internationaal te deponeren. Voor dit is volbracht is de Kredietbank niet bereid te investeren in een nieuwe MOROGAS installatie.

En daar valt de briefwisseling vrijwel stil. Er wordt eind 1960 nog gemeld aan de Technische Dienst van de Haven dat er nu twee brevetten zijn uitgeschreven op naam van Leo Geens en Frans Panis die in combinatie het Panis Procedé beschermen, en dat er spoedig ook een aanvraag in Den Haag zal gedaan worden. Maar dat bleek niet te baten.

De voormalige drooggracht

Op 4 juni 1962 stapt Geens onverwacht binnen bij de Technische Dienst. Hij legt uit aan Schepens dat Panis zich in een “quasi hopeloze” toestand bevindt. De kosten van de proeven, aanvragen, … dwingen hem om te “doppen” om in zijn levensonderhoud te voorzien. Geens brengt een allerlaatste verzoek om Van Den Bosch te verbieden nog afval te verbranden in het Fort.

Wat er in die 2 jaar gebeurd is hebben we het raden naar. Aangezien Geens vermeldt dat MOROGAS nog steeds op zoek is naar investeerders (met een kostenraming van 1-2 miljoen BEF) is het waarschijnlijk dat de Kredietbank heeft afgehaakt. Zonder kapitaal en, door de concurrentie van Van Den Bosch, zonder afzetmarkt maakte het bedrijf geen kans. Na 1962 wordt MOROGAS niet meer vermeld in verdere briefwisseling.

Nu, had het plan van Panis kunnen werken? Dat is een vraag die waarschijnlijk nooit beantwoord zal kunnen worden. Het vallen of staan van het project berustte op drie pijlers: werkte het procedé, kon het de benodigde capaciteit halen en was het economisch haalbaar?

Dat het procedé effectief was blijkt uit een chemisch onderzoek door de firma TAFCO. Het verslag van een bezoek aan de proefopstelling op 20 augustus 1956 vergelijkt de uitlaatgassen van een oven voor en na die door het Panis procedé zijn behandeld:

“Ik verklaar […] dat:
1) De verbrandingsgassen die rechtstreeks van den oven voortkomen, ongeveer 15% onverbrand gas inhouden en zeer sterk door zoet (roet, red.) bevuild zijn.
2) De verbrandingsgassen die behandeld worden op speciale wijze (brevet PANIS) geen onverbrand gas inhouden en absoluut vrij van zoet zijn.”

Hadden de ovens van Panis dan wel voldoende verwerkingscapaciteit? Geen eenvoudige vraag, want er is nooit een installatie gebouwd met capaciteit als doel. Over de proefinstallatie in het Fort zijn er een aantal statistieken bekend, onder meer de capaciteit. Twee getallen doen de ronde: 6000 liter per 24 uur volgens Panis en 130 liter per uur volgens de Technische Dienst. Omgerekend is hetgeen vermeld door Panis ongeveer het dubbele.

Indien men rekent met het laagst vermelde getal, 130 l/u, 22 werkdagen en 8 uur verbranding per dag komt men uit op ruim 20.000 liter per maand. Dit is minder dan wat er gemiddeld werd aangevoerd per maand in die periode, dat lag rond de 60.000. In de volgende jaren zijn deze hoeveelheden sterk toegenomen, en het valt niet te zeggen of het Panis procedé met dezelfde ratio kon groeien.

Resteert dan nog de economische overweging. Het voorstel van Panis aan de FSHA was het zevenvoud van een eerder vermelde prijs van Van Den Bosch, en voor de bedrijven was er nauwelijks tot geen reden om dan toch voor Panis te opteren. Zolang open verbranding was toegestaan maakte MOROGAS geen schijn van kans.

De kostprijs is een belangrijke speler geweest in dit verhaal. De Panis historie toont aan dat er schonere manieren waren van verbranding en dat alle partijen daar van op de hoogte waren. Net dat is belangrijk, want de verbrandingen zijn er na nog 10 jaar vrijwel onveranderd doorgegaan, en de hoeveelheden in de jaren '60 doen die van de jaren '50 vervagen. Het schijnt de tijdsgeest te zijn geweest waarin de economische factor belangrijker was dan de ecologische.

De toevloed en het einde (1963-70)

Berichtgeving in de jaren 60 is spaarzaam, voornamelijk in de eerste helft. Er zijn enkele berichten over foute en illegale dumping in het Fort, die nu worden opgemerkt nadat de Technische Dienst van de Haven regelmatig controles begint uit te voeren. Een opmerkelijk voorbeeld hiervan is dat er op illegale wijze afval wordt aangeleverd uit militaire hoek. Dit wordt twee maal gerapporteerd, beide in 1966: een product afkomstig van de luchtmacht dat door Van Den Bosch wordt omschreven als loodoxide maar achteraf een onbrandbaar ijzeroxide blijkt te zijn, en een hoeveelheid olieafval van de legerbasis in Sankt-Vith die gewoon in de weide langs de weg aan het Fort werd gedumpt.

In 1967 gaan de stemmen terug op om de verbrandingen stop te zetten. Zo starten meer en meer bedrijven de bouw van hun eigen verbrandingsovens, maar toch nemen de hoeveelheden die op het Fort worden gestort sterk toe. Een figuur die centraal stond in het hele eindproces is Schepen voor de Haven Delwaide. Deze werd meermaals aangeschreven door de hoofdingenieurs van de Technische Dienst van de Haven, die hun zorg uitdrukken over de enorme toevloed. In 1968 schrijft Delwaide de GICRA, Groepering der chemische bedrijven van het Antwerpse havengebied, aan met het verzoek voor de bedrijven om tezamen een afvalverbrandingsoven te bouwen voor het chemische afval, onder meer plasticafval dat nu ook op het fort werd aangeleverd in grote getale. Ook vanuit de Technische Dienst komen er opmerkingen over de toename in hoeveelheden en de overlast die hier mee gepaard gaat.

De binnenmuur van de drooggracht

Drie maanden na Delwaide's verzoek vindt er op 3 juli een vergadering plaats onder zijn leiding. Er wordt besloten dat de verbrandingen finaal zullen worden stopgezet, met een jaar respijt om de tijd te geven hun aanvoer af te bouwen en over te schakelen op eigen ovens en het toekomstige Antwerp Cleaning Station afvalverwerkingsbedrijf. Ook komt er een verbod op het aanvoeren van giftige en bijtende stoffen.

Maar die afbouw komt niet. Meer nog, 1968-1969 zijn recordjaren, waarin de aangeleverde aantallen het tienvoud zijn van slechts enkele jaren ervoor. De Directeur-generaal van de Haven, het College en Schepen Delwaide manen de bedrijven aan en informeren naar hun status. Zo meldt BASF bijvoorbeeld dat zij nog bezig zijn aan de bouw van een tweede oven, maar dat zij tot die tijd nog gebruik zouden willen maken van de diensten van Van Den Bosch.

Op 1 juli 1969 verloopt de toestemming om te storten en/of te verbranden op de gronden van het Fort. Op 2 juli 1969 gaat een gedoogbeleid hiervoor in gang. De verbrandingen gaan door.

In het jaar dat volgt verergert de toestand, tot het punt dat Hoofdingenieur-afdelingshoofd van de Haven aan de alarmbel trekt en spreekt over een “ondraaglijke toestand”. Op 28 juli 1970 vertrekt een aangetekende brief van het College van Burgemeester en Schepenen van Antwerpen. Op 1 augustus komt er een einde aan bijna 20 jaar van dumping en verbranding van industrieel afval op Fort Sint-Filips.

Het Fort vandaag (2016)

Binnenaanzicht van een kamer: de bovenkanten van gangen links en rechts zijn nog zichbaar boven de olie

De gronden van het Fort zijn eigendom van het Havenbedrijf, maar staan geregistreerd als natuurgebied. Een plakkaat aan de Scheldelaan verklaart dat het domein is uitgeroepen als broed- en rustgebied in samenwerking met Natuurpunt.

Het terrein is meermaals opgehoogd na 1970 met, bleek na het bodemrapport, eveneens vervuilde aarde. Het Fort zelf is nauwelijks toegankelijk; bedekt met zand en sterk overgroeid zijn er slechts enkele locaties waar het bouwwerk zichtbaar is. Deze delen staan grotendeels onder water.

De scheiding tussen puur product (boven) en vervuild water (onder)

Betreden wordt sterk afgeraden, voor zij die dit wel doen blijkt snel waarom. Het water, of beter, de vloeistof die in de blootliggende delen staat varieert van donkerbruin en waterachtig tot glimmende, stroperige olie, omschreven in het bodemrapport als “puur product”. Bijna 50 jaar na de laatste dumping en verbranding liggen de oliën en chemicaliën nog steeds aan de oppervlakte. Enige roering van de waterbodem zorgt voor opstijgende gassen en pekkleurige wolken..

Gesmolten metselwerk
Metselwerk in het plafond is bijna onherkenbaar

De bijtende geur is op bepaalde plaatsen overweldigend, dat nog niet eens aan de binnenzijde van het fort. Een korte blik in de kamers rond de gracht toont de tol die de verbrandingen op het Fort hebben gehad: over grote oppervlakken is het metselwerk gesmolten, de bakstenen nauwelijks te onderscheiden van het voegwerk.

Teerachtig product welt op op meerdere locaties

Rond het Fort treffen we locaties aan waar een teerachtig product uit de grond sijpelt; het gebied doet meer aan als rampsite dan natuurgebied.

Naast het Fort, aan de oorspronkelijke ingang ligt een vijver, vervuild door zowel de activiteiten op het Fort als jarenlange afvalwaterafvoer van de petroleuminstellingen aan de overkant van de Scheldelaan.

De vijver naast het Fort

Zowel het Fort als de vijver zijn in opdracht van het Havenbedrijf onderworpen aan een bodemonderzoek in 2014, uitgevoerd door Ecorem en conform verklaard door de OVAM. Zij troffen in het grondwater en/of de grond normoverschrijdingen aan voor onder meer zware metalen, PAK's, BTEXN, VOCL's, PCB's, …

Niet alleen werden er enorme hoeveelheden van deze toxische stoffen aangetroffen, maar blijkt het risico dat deze zich verder verspreiden enorm. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze stoffen al jaren doorsijpelen naar de Schelde.

Een van de vele peilbuizen geplaatst tijdens het bodemonderzoek

Bij de boringen werd vastgesteld dat de vervuiling zich heeft verplaatst tot aan de Boomse klei, 18 m diep. In zekere zin mag men van geluk spreken, aangezien de kleilaag daar 75 m dik is en effectief een barrière vormt voor diepere verspreiding van verontreiniging. Doch dit sluit verspreiding in de horizontale richting niet uit.

Het besluit van het rapport is niet mild:

“Bij evaluatie van de ernst van de bodemverontreiniging is gebleken dat er van de historische bodemverontreiniging een humaan toxicologisch risico (actueel/potentieel) en een ecotoxicologisch risico (actueel/potentieel) uitgaat. Tevens wordt een ernstige bedreiging vastgesteld omwille van de verspreiding. […] De sanering is zeer urgent.”

De conclusie sluit af met het nogal optimistische “Dit kadastraal perceel kent geen asbestrisico.”

Een van de weinige plaatsen waar natuurlijk licht in het Fort komt

De cijfers

Hoeveelheden

Vanaf 1959 is er een regelmatig verslaggeving van de aangeleverde afvalstoffen. Deze worden hoofdzakelijk uitgedrukt in kilo, liters en vaten. Met oog op overzichtelijkheid zijn deze omgerekend met volgende assumpties, aangetroffen in dezelfde verslagen:

  • 1 vat bevat 175 liter
  • 1 vat weegt ~150kg

Om deze en andere redenen blijven volgende cijfers schattingen, hoewel de werkelijke hoeveelheden waarschijnlijk hoger liggen. Zo zijn bijvoorbeeld enkele vermeldingen van leveringen niet opgenomen wegens het ontbreken van een duidelijke hoeveelheid: “vrachtwagens”, “een container”, …

In volgende grafiek zijn de omgerekende jaartotalen afgebeeld, uitgedrukt in miljoen liter per jaar. De leveranciers zijn gesorteerd op basis van totale aanvoer over dit decennium. Ter overzichtelijkheid zijn slechts de 10 grootste leveranciers weergegeven, de anderen zijn opgeteld in categorie “Overige”.

Merk op dat Beliard (Murdoch/Crighton) en Mercantile Marine Engineering, beide scheepswerven en lid van de FSHA, twee constante factoren zijn door de geschiedenis van het Fort. Ook is eenvoudig te zien waarom in 1967 protest rees over de verbrandingen: de toevloed was op 2 jaar bijna verviervoudigd. In juli 1966 werd reeds beschreven dat de aanvoer overdadig was; het Fort was “meer dan verzadigd, in zoverre dat het niet meer mogelijk is de uit de haven aangevoerde olieafval op tijd te verbranden”.

De plotse daling in 1970 is misleidend, aangezien er toen er slechts 8 maanden geopereerd werd; In deze maanden was de aanvoer vergelijkbaar met 1969, er wordt zelfs een lichte stijging opgetekend.

Welke producten er werden aangeleverd is niet altijd even duidelijk omschreven. Naast olieafval en gelijkaardigen, welke instonden voor het leeuwendeel, wordt er onder meer vermeld: boorwater, plasticafval, alcoholafval, methanol, afval van hydrocarburen, synthetische hars, verf, medicatie, wapens, … maar vaak ook minder inhoudelijke beschrijvingen als “wit poeder”, “inhoud van proefflessen”, “chemicaliën” of gewoonweg “afval”.

De bedrijven en instanties verantwoordelijk voor de aanlevering zijn groot in aantal, in de periode 1965-69 is er een enorme toename hierin. Een volledige lijst is achteraan opgenomen in bijlage A. Doch, de 10 grootste leveranciers waren verantwoordelijk voor meer dan 85% van aangeleverde stoffen tussen 1959-70. Zij en hun bijdrage zijn weergegeven in volgende grafiek:

De totaal gerapporteerde hoeveelheid aangebracht in deze 10 jaar bedraagt ruim 48.8 miljoen liter. Ter vergelijking: dit is meer dan de officiële schattingen van de omvang van gelekte olie toen de Exxon Valdez olietanker in 1989 lek sloeg en meer dan 2000 km kustlijn van Alaska verontreinigde.

Merk op dat voor 1959 evengoed stortingen plaatsvonden, deze zijn niet opgenomen in voorgenoemde cijfers wegens gebrek aan documentatie.

Restanten

In het bodemonderzoek uit 2014 is een opmerkelijk hoofdstuk opgenomen, waar berekende schattingen van de hoeveelheid vervuilde stoffen in de bodem staan opgelijst. Een selectie:

  • Minerale olie: 11 214 720 kg
  • PAK's: 155 651 kg
  • PAK's, of polycyclische aromatische koolwaterstoffen, zijn mild tot zeer zwaar kankerverwekkend.
  • PCB's: 384 kg
    PCB's, of polychloorbifenyl, zijn enorm toxische stoffen die kunnen leiden tot leverschade, geboorteafwijkingen, kanker, … In 1999 was 50 kg PCB's verantwoordelijk voor de Dioxinecrisis in België. Sinds 2001 verboden onder de Stockholmconventie.
  • Chloorbenzenen: 20 043 kg
    Chloorbenzenen zijn mild toxisch voor de mens, maar de penta- en hexavarianten (hier goed voor zo'n 5000 kg) bouwen op in het lichaam en kunnen jarenlang schade aanrichten op dermatologisch, neurologisch, voortplantings-, … vlak en zijn kankerverwekkend. Nog veel schadelijker zijn zij voor waterorganismen, waardoor hun gebruik is verboden onder de Stockholmconventie.
  • VOCL's: 100 869 753 kg
    VOCL's, of vluchtige organochloorverbindingen, zijn mild kankerverwekkende stoffen die gevaarlijk zijn door hun neiging om te verdampen.
  • BTEX: 1 638 837 kg
    BTEX is een verzamelnaam voor benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen. Van deze vluchtige oplosmiddelen is benzeen de gevaarlijkste vanwege zijn link met leukemie, de anderen zijn berucht om hun invloed op het zenuwstelsel.
  • Zware metalen: 530 304 kg
    Zware metalen, waaronder lood (91 134 kg), kwik (1419 kg) de gevaarlijkste aangetroffen, zijn schadelijk voor de mens op vele vlakken op zowel korte als lange termijn.

Deze cijfers hebben betrekking tot de grond ter hoogte van het Fort. Vervuiling van het grondwater is hier niet bij gerekend.

De toekomst

Een sanering is noodzakelijk, zo blijkt, en zeer urgent. De eigenaar van het terrein, het Havenbedrijf, heeft stappen ondernomen om deze te starten. Zo namen zij al 20 miljoen euro provisie exclusief voor de sanering van Fort Sint-Filips.

Met de sanering zal het definitief opgenomen worden in het Sigmaplan; Er zal een dijk worden opgetrokken tussen de Schelde en het Fort.

Het Havenbedrijf is volgens laatste bericht in onderhandelingen met TOTAL met betrekking tot de vijver naast het Fort, waarin TOTAL afval- en koelwater heeft geloosd gedurende decennia. Er is een akkoord onder voorbehoud tussen de twee partijen, doch de inhoud van dat akkoord is niet publiek. Verwacht wordt een schikking waarin TOTAL opdraait voor een deel van de kosten van de sanering van de vijver.

De start van een billing & settlement plan is begin 2016 gestart en wordt verwacht een jaar te duren. Begin 2017 zou de start van de opmaak van bestek, aanbesteding en gunning betekenen.

De sanering wordt gepland van 2018 tot eind 2020 en wordt een betrekkelijk moeilijke taak wegens de ernst van de vervuiling. Er is geopteerd om het hele gebouw in te kapselen in een soort sarcofaag, wat betekent dat het Fort nooit meer toegankelijk zal zijn. Het verdient gezegd te worden dat er gepland is na de inkapseling de contouren van de 16e en 19e-eeuwse forten aan te geven, zo wordt dan toch de herinnering van het Fort niet mee begraven.

Hiermee gaat het laatste hoofdstuk in van de geschiedenis van Fort Sint-Filips, het vergeten Fort.

Nawoord & Disclaimer

De fortengordels rond Antwerpen hebben me altijd geïnteresseerd en ik dan was ook erg verbaasd toen ik door puur toeval op de naam van het Fort stootte; Nog nooit eerder had ik van Fort Sint-Filips gehoord. Hoe meer ik mij er in verdiepte hoe meer ik me er over verbaasde dat dit van zo weinig bekendheid genoot: hoewel het Fort nooit militaire actie gezien heeft het een unieke geschiedenis gekend. Dit werd dan ook de drijfveer voor dit artikel. Op deze manier hoop ik het Fort nog een laatste beetje bekendheid te gunnen alvorens het finaal verdwijnt.

Wat ik hoop is dat er lessen getrokken worden uit dit verhaal. Militair patrimonium is altijd een hekel punt vanwege de connectie met donkere periodes, maar net daarom verdient het een plaats. Oorlogen, hoe verschrikkelijk zij ook zijn, blijven sleutelpunten in onze geschiedenis en te veel forten zijn al gesloopt, begraven of verwaarloosd. Dat terwijl er zo veel positieve voorbeelden zijn waarin zij een nieuw doel krijgen als concertzaal, recreatiegebied, museum, ...

De informatie aangetroffen bij dit onderzoek is te veel om in een artikel te vatten, indien u vragen heeft kan u deze altijd stellen via de pagina contact. Hetzelfde geldt indien u meer informatie kan verschaffen over de vragen die resteren in het verhaal (Wat is er gekomen van MOROGAS, Panis en het procedé? Zijn er belangrijke gebeurtenissen na 1970? Waarom werd de grond meerdere keren opgehoogd en wat was de oorsprong van deze aarde? ...).

Het Fort en zijn geschiedenis is een onderwerp dat me intussen nauw aan het hart ligt. Daarom is de uiterste zorg genomen om deze informatie correct te brengen. Dit artikel en bijlagen zijn uitgebracht onder voorbehoud van drukfouten en/of vergissingen. Deze kunnen gemeld worden via de pagina contact, verbeteringen zullen worden opgenomen in bijlage C.

Bijlage A: Bedrijvenlijst

Bedrijf Liter
Alpina70
Van Ommeren Transit175
Herfurth443
Dumanex525
Milo525
Transmarconne700
Sinclair700
De Bie Exp.1.050
Wijngaardnatie1.167
Polysar1.750
Cerifrac1.750
Dockx2.600
Stedelijke droogdokken2.625
Zuid Natie3.325
General Motors Continental4.200
Trading5.250
Navex5.250
Compagnie Maritime Belge5.425
Aeros5.833
Gulf5.833
Petrie Dufour & Co6.125
Avex Moteurs6.300
Stappaertsgasthuis7.500
Kiekens shiprepairers7.525
Agence Maritime Internationale8.575
Albatros10.325
Bridges L.W. & Co10.850
Chemical clean13.825
Lloyd Brasileiro14.000
Alarmin14.000
Fulton Marine Engineering23.050
Polyolefins46.667
Cockerill Hoboken47.250
Guthrie Murdoch51.800
Goodlash52.500
Glaverbel64.167
Sobelgra70.000
Alca Petroleum84.000
Quaker Furans87.325
Chevron Petroleum91.292
Antwerp Scaling-Painting105.175
Dienst der scheepvaart145.833
Eurotank184.567
Cadix Natie302.167
Amoco Fina449.167
S.I.B.P474.575
Monsanto876.383
Noord Natie1.192.250
Esso1.217.375
Havenbehandelingen1.335.008
Belgische Petroleum Raffinaderij1.998.650
Mercantile Marine Engineering2.082.154
Petrochim2.118.119
Belgische Petroleum Federatie2.443.000
Bayer3.522.017
Union Carbide/Cobenam3.622.025
Stad Antwerpen3.695.475
BASF6.329.167
Ford Tractor6.941.570
Beliard8.997.280

Bijlage B: Bronnen

Met oog op transparante berichtgeving en de mogelijkheid tot het controleren van de feiten gepresenteerd in dit artikel zijn de voornaamste bronnen hier opgelijst:

Bijlage C: Errata & addenda

Hier zijn veranderingen na publicatie, die invloed hebben op de inhoud van het artikel, opgelijst.

  • 08/08/2016: Toevoeging van kaart en luchtfoto's in sectie "Het Fort".
  • 04/12/2016: Toevoeging van printvriendelijke versie & lijst van publicaties